Taaltips uit de Taalwerkplaats

Twijfel je over een schrijfwijze of formulering? Wij hebben een aantal van onze schrijfadviezen voor je op een rijtje gezet. Met deze tips helpen we je graag op weg. Bekijk ook onze taaladviesboeken en andere taalboeken waarvan veel mensen op het werk en thuis gebruikmaken.

Klik op een onderwerp om de tip te lezen. Of lees de extra's: tips voor tekstschrijvers en redacteuren.


Taal voor in bed, op het toilet of in bad

Allerlei wetenswaardigheden over taal lezen? Bestel dan dit boek.

ik word(t), jij word(t), hij word(t)?

Met stip op 1 in de spelfoutentop 10: d/t-fouten in werkwoorden. Want hoe zat het ook alweer: ik word(t), jij word(t), hij word(t)? Die twijfel is er alleen bij woorden die op een -d eindigen, want bij andere woorden hoor je vanzelf of er wel of geen -t achter komt. Van die eigenschap kun je handig gebruikmaken: twijfel je over d/t, vervang dan de persoonsvorm waarover je twijfelt door werken. Dus:

  • Word(t) jij de nieuwe projectleider?
  • Werk jij de nieuwe projectleider in?

Bij werk hoor je geen -t, dus word krijgt ook geen -t:

  • Word jij de nieuwe projectleider?

Let op Werkwoorden in de verleden tijd eindigen nooit op -dt. Het is dus: Zij werd de nieuwe projectleider.

Besteed of besteedt? Weerlegt of weerlegd?

Om de juiste spelling te bepalen, moet je weten of het werkwoord waarover je twijfelt een persoonsvorm is of een voltooid deelwoord. Een voltooid deelwoord ziet er meestal uit als ge- + de stam van het werkwoord (dat is het hele werkwoord min -(e)n) + -d/-t. Bijvoorbeeld: gefaald, getest, gezet. Maar sommige voltooide deelwoorden krijgen geen voorvoegsel ge-, bijvoorbeeld als het hele werkwoord begint met be-, er-, ge-, her-, ont- of ver-. Of bij werkwoorden als weerleggen: hij heeft de argumenten weerlegd. Twijfel je over zo'n werkwoord, vervang het dan, net als bij d/t hierboven, door werken. Dus:

  • Hij heeft de argumenten weerleg(d/t)
  • Hij heeft de argumenten gewerkt.
  • Hij weerleg(d/t) de argumenten.
  • Hij werkt de argumenten.

Is het werkwoord een persoonsvorm? Pas dan de regels voor de persoonsvorm toe (zie hierboven).

Is het een voltooid deelwoord? Bepaal dan eerst wat het hele werkwoord is en haal daar -(e)n van af. Wat overblijft, is de stam. Eindigt de stam op een van de klanken t, k, f, s, ch of p? Dan schrijf je het voltooid deelwoord met een -t. Het ezelsbruggetje hiervoor is 't kofschip. Bijvoorbeeld:

  • Hij heeft zich vergis(d/t).
  • hele werkwoord: vergissen
  • stam: vergis
  • juiste spelling: Hij heeft zich vergist.

Maar let op deze twee belangrijke zaken. Ten eerste is er het gevaar van een valse -f en -s. De stam van het werkwoord zweven is niet zweef, maar zweev. De v zit niet in 't kofschip, dus het is niet gezweeft, maar gezweefd. En de stam van vrezen is niet vrees, maar vreez. Het voltooid deelwoord is dus niet gevreest, maar gevreesd.

Ten tweede is het goed om te beseffen dat het bij het ezelsbruggetje 't kofschip niet om de letters gaat, maar om de klanken. Een werkwoord als mixen eindigt op een klank uit 't kofschip, namelijk de s-klank, en krijgt daarom het voltooid deelwoord gemixt met een -t. Om die reden zou je in plaats van 't kofschip ook bijvoorbeeld xtc-koffieshopje of 't sexy fokschaap kunnen gebruiken, maar omdat het om de klank gaat, is dat eigenlijk overbodig.

Eindigt de stam niet op een van de medeklinkers van 't kofschip? Dan schrijf je het voltooid deelwoord met een -d. Bijvoorbeeld:

  • Hij heeft het geld hieraan bestee(d/t).
  • hele werkwoord: besteden
  • stam: besteed
  • juiste spelling: Hij heeft het geld hieraan besteed.

Een zwártboek heeft één klemtoon en is iets anders dan een zwárt bóék, dat twee klemtonen heeft. Een woordcombinatie met één hoofdklemtoon schrijf je als één woord, bijvoorbeeld hoogopgeleid, een pasgetrouwd stel (maar: het stel is pás getróúwd), lichtgewicht.

Deze vuistregel geldt ook voor drieledige samenstellingen van het type witte + boorden + criminaliteit: dat woord spreek je niet uit als wítte bóórdencriminaliteit, maar als wittebóórdencriminaliteit. Er is sprake van één hoofdklemtoon, dus je schrijft witteboordencriminaliteit aaneen. Andere voorbeelden zijn: socialemediastrategie, lagelonenland, langetermijnplanning, oudedagsvoorziening en vrijetijdsbesteding. Soms is er ook betekenisverschil: het rodewíjnglas heeft één hoofdklemtoon en is een glas voor rode wijn; het róde wíjnglas heeft twee klemtonen en is dus een woordgroep, met als betekenis 'een wijnglas dat rood is'.

Is het nu ten slotte of tenslotte? En moet teveel aan elkaar, of is het toch te veel? Het antwoord: het kan allebei, maar ten slotte betekent iets anders dan tenslotte, en te veel is niet hetzelfde als teveel.

De belangrijkste voorbeelden van betekenisverschil tussen los en aaneen:

aaneen betekenis los betekenis
allang al te goed al lang gedurende lange tijd
allesbehalve zeker niet alles behalve alles met uitzondering van
evengoed ook, al met al even goed net zo goed [als ...]
tegoed positief saldo te goed nog te ontvangen
tekort gebrek te kort niet lang genoeg
teneinde om ten einde tot een einde, afgelopen
tenminste althans ten minste op z'n minst
tenslotte immers, uiteindelijk ten slotte tot slot
teveel overschot, restant te veel meer dan nodig is
zojuist net zo juist zo goed
zolang gedurende zo lang met die lengte of duur
zomin ook niet zo min zo weinig [mogelijk]
zover tot een bepaald punt, klaar zo ver op zo'n grote afstand

Samenstellingen die bestaan uit twee woorden waarvan het eerste eindigt op een klinker en het tweede met een klinker begint, zijn soms lastig te lezen. Dat is zeker zo als de twee klinkers die naast elkaar komen te staan, samen één klank kunnen vormen, zoals aa, eu, oe of ui. Dat heet klinkerbotsing. Om klinkerbotsing te voorkomen, plaats je een koppelteken tussen die twee klinkers:

combinatie voorbeeld
a + a valuta-aankopen
a + e media-expert
a + i pagina-indeling
a + u programma-uitleg
e + e productie-eis
e + i zee-inham
e + u optie-uitkering, privé-uitgave
i + e groei-economie
i + i multi-inzetbaar
i + j ski-jack
o + e zo-even
o + i solo-instrument (maar: zoiets)
o + o co-ouderschap
o + u video-uitgang
u + i milieu-inspectie
u + u cadeau-uitgave

Tussen andere klinkercombinaties is een koppelteken niet nodig, zoals in antiautoritair, communicatieadviseur, divisieonderdeel, offerteaanvraag en softwareontwikkelaar.

Uitdrukkingen als te allen tijde, in levenden lijve en te goeder trouw tonen de sporen van het naamvalssysteem dat het Nederlands vroeger had. Voor de moderne taalgebruiker is het moeilijk om te bepalen waar nu die extra buigings-n, -r of -e hoort. Wil je zo'n uitdrukking gebruiken? Controleer dan altijd wat de juiste schrijfwijze is. Een aantal voorbeelden:

in allerijl te goeder trouw ten volle
in der minne te gronde ten zeerste
in dier voege te zijner tijd ter ere van
in gebreke ten aanzien van ter grootte van
in groten getale ten bate van ter inzage
in levenden lijve ten deel vallen ter plaatse
indertijd ten dienste staan ter sprake brengen
met dien verstande ten gevolge van ter tafel brengen
mijns inziens ten gunste van ter waarde van
onverrichter zake ten koste van toentertijd
onzes inziens ten laste leggen uit hoofde van
te allen tijde ten name van van dien aard

Woorden als alle, beide en sommige kun je op verschillende manieren gebruiken. Je kunt ze voor een zelfstandig naamwoord zetten, bijvoorbeeld: alle collega's, beide rapporten, sommige klanten. Dat heet bijvoeglijk gebruik. Maar je kunt ze ook zelfstandig gebruiken, zonder zelfstandig naamwoord erachter. In dat geval verwijzen ze naar iets wat je eerder hebt genoemd, bijvoorbeeld: mijn collega's zijn allen aanwezig, de rapporten moeten morgen beide klaar zijn. Alleen als je deze woorden zelfstandig gebruikt én ermee naar personen verwijst, zet je er een -n achter.

zo verwijs je naar personen zo verwijs je naar zaken
bijvoeglijk gebruik
Alle collega's zijn aanwezig. Beide rapporten zijn af.
zelfstandig gebruik
Allen zijn aanwezig. Beide zijn af.

Onze taal staat je toe efficiënt te zijn: identieke woorden of woorddelen hoef je niet te herhalen. Samentrekking heet dat. Een paar voorbeelden; tussen [...] staan de woorden en woorddelen die je kunt weglaten:

  • Wij hebben uw bestelling ontvangen en [wij hebben uw bestelling] afgehandeld.
  • Financiële [gegevens] en overige gegevens.
  • De aan[voer] en afvoer van onderdelen.

Alléén als je een woorddeel weglaat, zet je op de plaats daarvan een weglatingsstreepje. Als je hele woorden weglaat, doe je dat niet. Het is daarom:

  • Wij hebben uw bestelling ontvangen en afgehandeld.
  • Financiële en overige gegevens.
  • De aan- en afvoer van onderdelen.

De naam van een afdeling behandel je als een eigennaam. Daarom schrijf je deze met een hoofdletter. Maar let op: het woord afdeling zelf krijgt geen hoofdletter. Het is dus afdeling Personeelszaken. Geef alle zelfstandige naamwoorden uit de afdelingsnaam een hoofdletter: afdeling Financiële Zaken, afdeling Onderzoek en Ontwikkeling, afdeling Interne Geneeskunde.

Deze regels gelden ook voor diensten, faculteiten en andere organisatieonderdelen: dienst Ruimtelijke Ordening, faculteit Sociale Wetenschappen.

Woorden als afdeling, dienst en faculteit schrijf je natuurlijk wel met een hoofdletter als ze aan het begin van een zin of nieuwe regel staan.

Nogal wat woorden zijn zowel bijvoeglijk naamwoord als bijwoord, iets wat je aan de spelling ervan kunt zien: als bijwoord (bw) krijgt zo'n woord geen -e aan het eind, maar als bijvoeglijk naamwoord (bnw) soms wel. En daar gaat het vaak mis; een paar voorbeelden van hoe het hoort.

  1. Dat is een heel[bw] lucratieve[bnw] opdracht.
  2. Dat is een hele[bnw] opdracht.
  3. Dat is een misdadig[bw] rijke[bnw] commissaris.
  4. Dat is een misdadige,[bnw] rijke[bnw] commissaris.

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandigheid. En een bijwoord zegt iets over een bijvoeglijk naamwoord, een gezegde of over een ander bijwoord. In een heel lucratieve opdracht is lucratieve een bijvoeglijk naamwoord: het zegt iets over het zelfstandig naamwoord opdracht. En heel is hier een bijwoord: het zegt iets over het bijvoeglijk naamwoord lucratieve. In een hele opdracht is hele zelf een bijvoeglijk naamwoord dat iets over de opdracht zegt: de opdracht is aanzienlijk of volledig.

Aan de voorbeeldzinnen kun je zien dat er betekenisverschil kan ontstaan door het al dan niet schrijven van een -e. In de derde zin is de commissaris misdadig rijk, dat wil zeggen: schandalig rijk. In de vierde is hij misdadig én rijk. Overigens laat ook de komma zien hoe je de zin moet lezen.

Een voltooid deelwoord kun je vaak ook als bijvoeglijk naamwoord gebruiken. Zo kun je van het voltooid deelwoord (de grafieken zijn) afgebeeld een bijvoeglijk naamwoord maken: (de) afgebeelde (grafieken). Houd daarbij als vuistregel aan dat je het voltooid deelwoord zo kort mogelijk schrijft:

  • De afgebeelde (niet: afgebeeldde) grafieken.
  • De bezette (niet: bezete) plaatsen.
  • De verlate (niet: verlaatte) aankomst.

'Zo kort mogelijk' betekent dus dat je het woord met zo weinig letters spelt als de uitspraak maar toelaat. Daarom verdubbel je geen letters in afgebeelde en verlate, maar wel in bezette, want als je bezete spelt, verandert de uitspraak.

Bij werkwoorden die beginnen met be-, er-, ge-, her-, ont- of ver- is het extra oppassen, want daarbij ontstaat gemakkelijk verwarring tussen bijvoeglijk gebruikte voltooide deelwoorden en de verleden tijd van een werkwoord. Een paar voorbeelden:

verleden tijd foutief bijvoeglijk gebruik correct bijvoeglijk gebruik
Hij verbreedde zijn horizon. De verbreedde horizon. De verbrede horizon
Zij ontblootte haar tanden. De ontblootte tanden. De ontblote tanden

Als je wilt laten zien dat iets van iemand is of bij iemand hoort, dan plak je een -s achter de naam, bijvoorbeeld: Marions advies; zo'n -s heet bezits-s. Maar in twee gevallen gaat dit niet goed: als de naam eindigt op een enkele klinker die lang wordt uitgesproken en als de naam eindigt op een s-klank.

In het eerste geval zou de uitspraak van de naam veranderen als je er een bezits-s aan vast schrijft. Schrijf je bijvoorbeeld Eelcos brief, dan klinkt de eigennaam niet meer als Eelkoo, zoals het hoort, maar als Eelkoh. Om dat te voorkomen, gebruik je een apostrof: Eelco's brief. Eindigt de naam op een lange klinker die anders wordt gespeld? Dan schrijf je geen apostrof: Oprahs show, Beaus programma.

Eindigt de naam al op een s-klank, dan schrijf je in plaats van een bezits-s een apostrof achter de naam: Alice', Louis', Bosch', Mulish', Alex' of Márquez'. Hierop is wel een uitzondering: sommige woorden eindigen op een s, x of z die niet wordt uitgesproken, bijvoorbeeld: Berlioz, Dumas, Dutroux en Saint-Tropez. Hiervoor geldt: eindigt de naam op een s, schrijf dan een apostrof (Dumas' boeken); bij x en z schrijf je de bezits-s aan de naam vast (Berliozs muziek).

Om te weten wanneer je wel en niet punten schrijft in een afkorting, bepaal je eerst tot welk type de afkorting behoort. Dat doe je op basis van de uitspraak ervan. Afkortingen zijn namelijk onder te verdelen in:

  • initiaalwoorden, die letter voor letter worden uitgesproken, bijvoorbeeld: btw, C&A, dvd, PvdD, tv;
  • letterwoorden (of: acroniemen), die als woord worden uitgesproken, zoals aids, havo, NAVO, pin;
  • verkortingen, die ook als woord worden uitgesproken, maar die zijn opgebouwd uit delen van een woord(groep), bijvoorbeeld: bios, info, smog, Vinex;
  • echte afkortingen.

Alleen echte afkortingen krijgen punten. En zo'n afkorting herken je meteen: hoewel er een afkorting staat, spreek je namelijk het hele woord of de hele woordgroep uit. Bijvoorbeeld: bijv., d.d., dr., jl., m.a.w., m.n., nl., z.o.z., zgn.

In beginsel schrijf je hierin een punt achter elk afgekort woord, dus: z.g.a.n. 'zo goed als nieuw' en drs. 'doctorandus', maar er zijn uitzonderingen, zoals a.s. 'aanstaande'. Raadpleeg bij twijfel een woordenboek. Maar beter nog is het om de echte afkortingen voluit te schrijven.

De voegwoorden doordat en omdat worden nogal eens verward. Dat is ook niet zo gek, omdat ze zich door een soms subtiel betekenisverschil van elkaar onderscheiden: doordat drukt een oorzaak uit, omdat een reden.

Met een vuistregel kun je beide voegwoorden uit elkaar houden: kan het onderwerp van de zin iets aan de situatie veranderen, dus is er enige keuze? Dan is er sprake van een reden en schrijf je omdat. Is die keuze er niet, dan is er sprake van een oorzaak en schrijf je doordat. Een paar voorbeelden:

  • Zij ging naar de bijeenkomst omdat zij was uitgenodigd.
  • Omdat het regende, nam zij de tram.
  • Doordat het regende, kwam zij iets te laat.
  • Dat kwam doordat de wegen glad waren.

Na dit of dat komt ... volgt altijd doordat, omdat komt hierin 'wordt veroorzaakt' betekent.

Is het hij heeft een even grote werkkamer als ik of als mij? En ik werk hier langer dan hij of dan hem? Het gaat hier om ellipsen, dat wil zeggen: zinnen waaraan woorden ontbreken. En als je dat weet, weet je ook meteen de oplossing: vul de zinnen aan met wat er ontbreekt, en je weet welk persoonlijk voornaamwoord er hoort te staan. Bijvoorbeeld:

  • Hij heeft een even grote werkkamer als mij [heb]. (onmogelijk)
  • Hij heeft een even grote werkkamer als ik [heb].
  • Ik werk hier langer dan hem [hier werkt]. (onmogelijk)
  • Ik werk hier langer dan hij [hier werkt].
  • Voor iemand als jou [bent,] is dat gemakkelijk. (onmogelijk)
  • Voor iemand als jij [bent,] is dat gemakkelijk.

In een enkel geval kun je er verschil in betekenis mee aangeven. Bijvoorbeeld:

  1. Zij ziet de adviseur vaker dan wij [dat doen].
  2. Zij ziet de adviseur vaker dan [dat zij] ons [ziet].

Hier is de keuze tussen wij en ons dus afhankelijk van wie zij vaker ziet.

De 'haar-ziekte' is een aandoening die ervoor zorgt dat je haar schrijft als er zijn moet staan. Deze ziekte neemt epidemische vormen aan, want ten onrechte beschouwen velen álle woorden die een collectief of verzameling uitdrukken als vrouwelijk. Het is inderdaad 'de vereniging en haar leden' en 'de commissie en haar advies', maar woorden als de raad en de bond zijn mannelijk, en het bestuur, het bureau en het agentschap zijn onzijdig. Verwijzingen als deze zijn dus fout:

  • *De ondernemingsraad beschouwt dat niet als haar taak.
  • *Het bestuur weigerde haar beslissing toe te lichten.
  • *Het adviesbureau stuurde al haar klanten een brochure.

In alle drie de voorbeelden moet haar worden vervangen door zijn. Het medicijn tegen de haar-ziekte is een dikke pil: het woordenboek. Daarin kun je het geslacht van woorden opzoeken; alleen naar vrouwelijke woorden verwijs je met haar.

Wanneer het onderwerp van de zin zowel ... als ... bevat, noch ... noch ..., of niet alleen ... maar ook ..., lijkt het alsof het meervoudig is. Maar grammaticaal gezien is het enkelvoudig en daarbij hoort een persoonsvorm in het enkelvoud:

  • Zowel de voorzitter als de secretaris was verhinderd.

Zowel ... als ..., noch ... noch ... en niet alleen ... maar ook ... worden reeksvormers genoemd. Wanneer een of meer van de delen van de reeks in het meervoud staan, hoort daar uiteraard wel een persoonsvorm in het meervoud bij:

  • Noch de docent, noch de cursisten begrepen wat er in het boek stond.

Lastiger wordt het als de delen van de reeks niet in getal (enkelvoud of meervoud), maar in persoon (ik, jij, hij of zij) van elkaar verschillen. Want wat doe je met een zin als: Zowel mijn chef als ik werk(t) eraan? In dergelijke gevallen wordt het meervoud aangeraden:

  • Zowel mijn chef als ik werken eraan.

Maar nog slimmer is het om zo'n zin te herschrijven, bijvoorbeeld tot:

  • Mijn chef en ik werken er beiden aan.

Het marktaandeel moet fors omhoog, maar strevend naar hogere verkoopcijfers laat de consument het afweten. Kan dit, of wringt hier iets? Een eenvoudige test helpt je de valkuil te vermijden die beknopte bijzin heet. De volgende voorbeelden maken duidelijk wat het verschil is tussen een gewone bijzin (i en iii) en een beknopte (ii en iv):

  1. Hij sloeg met de vuist op tafel, omdat hij zijn woorden kracht wilde bijzetten.
  2. Hij sloeg met de vuist op tafel om zijn woorden kracht bij te zetten.
  3. Als ik aan Holland denk, zie ik brede rivieren.
  4. Denkend aan Holland, zie ik brede rivieren.

Zoals je ziet, hebben beknopte bijzinnen geen onderwerp. Op zich is dat geen probleem. Er is namelijk een regel die alle sprekers van het Nederlands onbewust toepassen: de beknopte bijzin heeft hetzelfde onderwerp als de bijbehorende hoofdzin. Denkend aan Holland, zie ik brede rivieren betekent dus dat ik aan Holland denk. En dan wordt duidelijk waarom de voorbeeldzin over het marktaandeel zo vreemd klinkt: de beknopte bijzin strevend naar hogere verkoopcijfers kan niet hetzelfde onderwerp hebben als de hoofdzin, want dat onderwerp is de consument en die streeft niet naar hogere verkoopcijfers. Controleer dus altijd of het bedoelde onderwerp van je beknopte bijzin overeenkomt met het onderwerp van de hoofdzin.

De toon van de meeste zakelijke teksten is formeel; dat hoort bij het doel van zulke teksten. Maar veel schrijvers verwarren formeel met plechtstatig of oubollig en toveren formuleringen uit hun tekstverwerker die ze in het dagelijks leven nooit zouden gebruiken. Wil je formeel schrijven? Houd dan de toon en woordkeuze neutraal, dat is alles. Je hoeft geen gewichtige woorden of ingewikkelde formuleringen te gebruiken. Dat maakt de tekst alleen maar lastiger te lezen.

Je zult zien hoe je tekst ervan opfrist als je oubollige woorden vermijdt, zoals deze:

gebruik niet maar bijvoorbeeld
aangaande over
achten vinden
alsmede ook
derhalve daarom
dienaangaande daarover
dientengevolge daardoor
doch maar
gelieve wilt u
indien als
inzake over
jegens tegenover
nochtans toch
omtrent over
reeds al
sedert sinds
teneinde om
tevens ook
thans nu
vigerend geldend
wederom weer
zulks dat, zoiets

Veel managers gebruiken — vaak zonder het te beseffen — een eigen taal die volgens hen bij hun vak hoort. Deze taal kenmerkt zich onder meer door Engelse termen en imponeertaal. Door het veelvuldige gebruikt dringt dit 'managementspeak' ook door in andere lagen van de organisatie. En dat is jammer, want de formuleringen zijn vaak minder helder dan 'gewone' taal. Zeker voor niet-ingewijden is deze blaaskaaktaal lastig te begrijpen. Schrijf je voor een breder publiek, bijvoorbeeld een brief aan een klant of een rapport dat ook buiten de organisatie wordt verspreid? Vermijd managementspeak dan. Door deze taal ook op het werk te vervangen door begrijpelijk Nederlands, maak je het jezelf gemakkelijk om zowel binnen als buiten de organisatie helder te communiceren.

Een paar voorbeelden:

gebruik niet maar bijvoorbeeld
aangeven laten weten, tonen, vertellen
adresseren, een probleem ~ aanpakken, er iets aan doen
communiceren, iets (naar iemand toe) ~ meedelen, vertellen, duidelijk maken, laten weten
doorcommuniceren doorgeven, vertellen, laten weten
focussen, zich ~ (op) zich concentreren (op)
genereren bereiken, tot gevolg hebben
implementeren uitvoeren, toepassen
monitoren controleren, controle uitoefenen op
neerzetten behalen, bereiken, (een resultaat) boeken, leveren
oppakken aan de slag gaan met
terugkoppelen aan/naar bespreken met, voorleggen aan
uitfaseren afschaffen, opheffen